Vogels en kou

De afgelopen weken kregen wij vaak de vraag of vogels het niet koud hebben. Het antwoord hierop is nee, in principe niet. Tenzij ze ondervoed, ziek of gewond zijn.

Het verendek van een vogel bestaat uit dons; voor de warmte, dekveren; om het dons te beschermen en slagpennen; om te vliegen en sturen. Sommige vogels hebben ook sierveren, voor het pronken. Een voorbeeld hiervan is de pauw.

Achterop, net boven hun staart hebben vogels een kliertje: de stuitklier. De stuitklier scheidt vetachtige substanties uit die vogels met hun snavel over het verenkleed uitsmeren. Dit wordt ook wel poetswassen genoemd en hiermee zorgt de vogel ervoor dat zijn verendek waterdicht blijft. Door ziekte, verwonding of verzwakking kan dit proces verstoord worden en raken de vogels “lek”. Hierdoor raken ze onderkoeld en blijven ze minder goed drijven.

Het is van groot belang dat vogels hun verendek goed onderhouden, want hoe slechter het verendek, hoe kwetsbaarder de vogel. Om het verendek optimaal te houden gaat de vogel in rui; versleten veren maken dan plaats voor nieuwe veren. Tijdens de rui kost het vliegen veel energie en doordat de vogel minder wendbaar is, wordt hij een makkelijker prooi voor roofdieren. Om de nadelen van de rui-periode te beperken kan een vogel dus maar beter zuinig zijn op zijn verenkleed.