Verslag van een vrijwilliger

Op een dag in februari 2011, had ik dagdienst. Ik draaide mee als derde op de ambulance, met nog 2 collega’s die mij inwerkten. Ik had met scepsis de instructies aangehoord over hoe met een zwaan om te gaan. De zogenaamde “slaapstand”, waarbij de kop onder een van de vleugels wordt geduwd: ja hoor. Zeker een collegiaal geintje om een nieuweling wat op de mouw te spelden! Wij moesten naar een bouwput in de buurt van de Piet Heintunnel, waarin een zwaan terecht was gekomen en rondzwom. Het regende, het was koud en toen we aankwamen bleek het een gigantische bouwput te zijn met een doorsnede van zeker 100 meter. De put was voorzien van vele meters hoge metalen wanden, waarbij de bodem onder water stond, met plantengroei en kleine eilandjes. We konden afdalen naar een droog stuk in die put. Het duurde eventjes voordat we in de verte, tussen riet, inderdaad een zwaan konden zien. Alle drie zagen we de hopeloosheid van de situatie in. Het was onmogelijk om ook maar enigszins door het water wadend in de buurt van die zwaan te komen, laat staan dat het dier zou meewerken om gevangen te worden voor zijn of haar bestwil. Opeens ging mijn collega de brandweer bellen om een duikteam te laten sturen. Ik kon het niet geloven en dacht echt dat ze niet lekker geworden was. Maar binnen een halfuur kwamen ze er nog aan ook, met een echte brandweerauto en al. Twee volledig in duikpak gehesen brandweerlieden gingen rustig met netten achter die zwaan aan. Maar zodra ze in zijn buurt kwamen zette de zwaan het op een zwemmen en verdween in de andere hoek van de put, zeker dertig meter verderop. De commandant zag dat en hij en de chauffeur kleedden zich toen om en gingen eveneens te water. Toen ging ook mijn collega van die dag nog eens achter hen aan in haar ambulancekloffie! Uiteindelijk wisten ze de zwaan in mijn richting te manoeuvreren. Een van de brandweerlieden kon het dier het eilandje opjagen waar ik verbijsterd stond met mijn schepnetje en die aanstormende zwaan totaal niet vertrouwde. Ik weet niet meer hoe ik het deed, maar ik had hem te pakken. Toen ik met behulp van de inmiddels teruggekomen collega de zwaan, in de slaapstand – het klopte dus toch! –in een doek gewikkeld naar boven en naar de ambulance bracht, keek ik naar het flatgebouw tegenover mij. Het was een kantoor van, geloof ik, Shell. Achter bijna alle ramen stonden groepen werknemers naar onze verrichtingen te kijken. Volgens mij is dit voor het bedrijfsleven de duurste zwaan die we ooit hebben gevangen.