Konijnendump

Bij de Dierenambulance maken we leuke en minder leuke dingen mee. Eén van de dingen die mij elk jaar weer raakt, is het dumpen van konijnen. Vooral in het voorjaar en tijdens de zomervakantie worden er veel konijnen gedumpt. Los ergens in een park, in een doos in het bos of over het hek bij een kinderboerderij. De meeste konijnen zullen in het wild niet overleven, omdat zij niet gewend zijn aan de gevaren en aan het zelf vinden van eten. Wij halen elk jaar vele dumpertjes op. Konijnen kunnen slecht tegen stress en zo’n avontuur is dan ook erg spannend voor ze. Eenmaal veilig weer binnen bij de Dierenambulance krijgen ze een fijn hok met hooi en stro, eten en water en kunnen ze even bijkomen, alvorens ze naar de opvang gaan. Ik vind het altijd weer aandoenlijk om dan te zien dat ze zo lief zijn en genieten van een aai en een knuffel. Hoe mensen deze onschuldige, lieve beestjes toch zomaar kunnen dumpen, is me elk jaar weer een raadsel.

In het najaar van 2010 zat er in het (tijdelijke) dierenverblijf van de Dierenambulance een klein, lichtbruin, angstig konijntje. Gedumpt bij een kinderboerderij en opgehaald door ons. Aangezien ik dus dol ben op konijnen, wilde ik haar graag even aaien en wat aandacht geven. Maar toen ik mijn hand in het hok stak, rende ze al grommend zo ver mogelijk bij mijn hand vandaan op zoek naar een schuilplek. Dit gegrom was geen agressie, maar pure angst. Ze had beslist geen rooskleurig verleden gehad, dat was zeker.

Aangezien de Dierenambulance een 24 uurs bedrijf is en er altijd bedrijvigheid is, besloot ik haar tijdelijk in huis te nemen om tot rust te komen en te socialiseren. Ik kon het niet aanzien. En op deze manier kon ze ook niet geplaatst worden. Thuis hadden mijn vriend en ik op dat moment twee konijnen in de tuin en twee katten in huis. Deze katten waren konijnen gewend dus dat moest geen probleem zijn. We wilden het konijntje eerst geen naam geven, om ons niet te veel te hechten, maar we besloten haar toch maar Puk te noemen.

Als eerste maakte ik van een kartonnen doos een mooie schuilplek door er aan de zijkant een opening in te maken en de doos op zijn kop in het hok te zetten. Ze moest zich zeker de eerste tijd kunnen verschuilen vonden we. Het hok stond midden in de kamer zodat ze kon wennen aan huiselijke geluiden en mensen om haar heen. We hebben haar de eerste dagen amper gezien. Eten en drinken deed ze alleen ’s nachts. Af en toe zagen we in de opening van de doos wel een klein snoetje om de hoek gluren. Ze hield ons stiekem dus wel in de gaten. We maakten het gat in de doos de weken erna steeds een klein stukje groter.

Langzaamaan durfde ze ook voorzichtig een stukje witlof uit mijn hand te eten, tot de laatste centimeter, verder durfde ze niet. Na enige tijd wilde ik haar wereld wat verbreden. Ik had een kleedje voor haar hok op de grond gelegd en haar erop gezet. Dat vond ze behoorlijk eng en dook dan ook gelijk weer terug haar schuilplaats in. Na nog een aantal pogingen bleef ze steeds wat langer zitten op het kleed. Af en toe sprong ze zelfs even bij ons op de bank om ons te besnuffelen. Langzaamaan begon ze uit haar schulp te komen.

Dat ze behoefte had aan warmte en liefde (tja, wie niet…?) bleek wel uit het feit dat ze onze poes steeds opzocht om tegenaan te kruipen. Eerst wilde die er niks van weten maar Puk bleef volhouden en uiteindelijk hebben ze heel wat uurtjes samen liggen slapen op de bank. Zo lief!

Vervolgens liet ik haar buiten wennen. Ik had een kleine ren gemaakt, zodat ze af en toe ook even van de buitenlucht en het najaarszonnetje kon genieten. Dat was in het begin ook erg stressvol. Al grommend rende ze heen en weer in de ren als ik naar haar toe kwam en ook daar schuilde ze het liefst onder een doosje. Af en toe haalde ik het doosje even weg en langzaamaan werd ze ook buiten steeds relaxter.

Na een paar maanden was ze dus een flink stuk opgeknapt en konden we haar ook lekker aaien, lag ze languit op het tapijt en raakte ze gewend aan ons ritme. En grommen deed ze nauwelijks nog! We besloten toch maar om te proberen haar in het voorjaar aan onze andere konijnen te koppelen. Dat is trouwens wel één van de grootste risico’s van het werken bij de Dierenambulance. Je ziet zo vaak lieve, leuke, zielige, afgedankte en gedumpte dieren, dat je ze graag allemaal wel mee wilt nemen. Want ach, ééntje meer of minder maakt ook niet uit toch?

Het koppelen van konijnen gaat echter niet zomaar. Vooral konijnen van hetzelfde geslacht kunnen nogal eens met elkaar gaan vechten. En koppelen moet op neutraal terrein gebeuren, ivm territoriumdrift. Ons mannetje was in zijn nopjes, ‘dook er gelijk bovenop’en genoot met volle teugen van het feit dat hij nu maar liefs twee mooie dames tot zijn beschikking had! Maar tussen de dames onderling was er wel wat spanning, zoals verwacht. Er is enige tijd overheen gegaan voordat we het aandurfden om ze met zijn drieën bij elkaar te zetten in het buitenhok. Dit was even wennen voor ze, maar het ging voorspoedig. Ze lagen op de bovenverdieping lekker samen te slapen en elkaar te verzorgen. Maar zodra Puk zich op de benedenverdieping of in de ren begaf, ging onze andere dame haar opjagen. We hebben het nog enkele maanden samen geprobeerd, maar helaas bleef er veel spanning tussen de dametjes. En Puk kon ook niet voor zichzelf opkomen met eten, waardoor de anderen haar eten wegkaapten als ze niet snel genoeg klaar was.

Dit was niet het leven wat we voor haar wilden, ze had al zoveel stress meegemaakt. Dus met pijn in ons hart besloten we haar toch naar een opvang te brengen. Ze was zo opgeknapt en zo ontzettend lief, dat ze nu vast wel geplaatst kon worden. Enkele weken later kregen we al het verheugende bericht dat ze was herplaatst! Ze had nu een lief, hangoor rammetje als maatje, helemaal voor haar alleen! Geen gevecht meer om eten of territorium, maar rust en liefde in haar leventje. Je hebt het verdiend lieve Puk!

Puk het konijn 1 Puk het konijn 2