Vinkjes in Amsterdam

Een vogeltje wat je ook zomaar in Amsterdam tegen kunt komen is het vinkje. De meeste mensen kennen vinkjes echter als tam vogeltje, maar ook in het wild komen vinkjes voor.

Je herkent een vink aan hun korte, kegelvormige snaveltjes en de mannetjes hebben in broedkleed een blauwgrijs petje met oranjerode borst en wangen. De staartveren zijn zwart, alleen de buitenste staartpennen zijn wit. Het vrouwtje is heel anders gekleurd en wil nog weleens worden aangezien voor een mus. Het meest opvallende kenmerk van de vinkjes zijn de 2 witte vleugelstrepen en dat is waarmee je een vrouwtje van de mus kunt onderscheiden.

Broedt tussen midden maart en midden juli en kan 2 legsels hebben, hoewel dat eerder uitzondering is dan regel. Het aantal eieren varieert van 3 tot 5. Broedduur 10-14 dagen. Vinken zijn territoriaal en geen koloniebroeders. Het nest is van mos en gras gemaakt, afgekleed met dierenhaar en veren. Goed verborgen tegen een tak of in een diepe struik. De jongen zitten 12-15 dagen op het nest. Na het uitvliegen blijven ouders en jongen nog 20-35 dagen bij elkaar.

 Vinken broeden tussen maart en juli en ook de vink kan, al is dat meer uitzondering dan regel, 2 legsels per jaar hebben. De broedduur is 10 tot 14 dagen. Zo klein als de vink is, zo territoriaal kan het zijn. Nesten worden goed verborgen, tegen een tak of in een diepe struik liggen. De jongen zitten 12 tot 15 dagen in het nest, maar na het uitvliegen blijven de ouders en jongen blijven nog zo’n 20 tot 35 dagen bij elkaar.
Een vink eet graag zaden en zachte plantendelen. Maar ook beukennootjes eten ze graag in het najaar. In het broedseizoen eten ze vaak ook insecten, omdat deze de noodzakelijke eiwitten voor de groei van de jonge vinken en voor het grote energieverbruik van de oudervogels op peil te houden.
Het vinkje op de foto is zondag in Amsterdam Noord gevonden. Het was, zoals je op de foto kunt zien, erg verzwakt, maar eenmaal bij vogelopvang de Toevlucht kwam het weer helemaal tot leven en wist het te ontsnappen. Gelukkig maar, want we zien ze liever in de vrije natuur dan in een kooitje voor herstel van ziekte of verwonding.