Zusje…

Er was eens een…. Ik. Ja, ik was er eens. Ik leefde samen met mijn zusje, een hoop kreeften en een vreemde vogel. We hadden een huis vol, maar een goed leven. Laat ik die lieve man niet vergeten, de man die voor ons kookte en ons liefde en aandacht gaf. Ja, we hadden echt een goed leven. Maar het leven is niet altijd een mooi sprookje. Op de bewuste dag vond mijn zusje hem. Het leven in hem was op. De deur ging open en van schrik kroop ik achter een kast. Zo goed verstopt dat niemand mij ging vinden. Ik fluisterde dat mijn zusje ook moest komen, maar ze was te langzaam. Grote handen grepen haar vast en zo werden die lieve man en mijn zusje afgevoerd. Toen het weer rustig was kroop ik achter de kast vandaan en zag dat de vogel ook weg was. Die nacht duurde heel lang, was ik nu alleen op de wereld? Nee, de kreeften waren er nog. Ik begon maar gesprekken met hen te voeren.

De volgende ochtend werd ik wakker na een paar korte uurtjes slaap. Ik zag twee mensen in een geel/groene jas visnetjes te voorschijn halen en de kreeften uit de aquaria vissen. Ze gingen in grote bakken met een laagje water. Ik zat oplettend te kijken naar de vreemde gebeurtenis, toen een van de twee begon rond te lopen. Dit deed mij erg denken aan de keren dat ik met mijn zusje verstoppertje speelde en zij mij nooit kon vinden, zo goed was ik. Als ik maar zachtjes genoeg ademhaalde en mij niet verroerde, zouden ze mij nooit vinden en dan was ik veilig.

En inderdaad, na een lange zoektocht verdwenen ze met de bakken met kreeften. Ik was nu echt alleen op de wereld. Honger, moe, alleen. Niemand gaf om mij en mijn zusje zou ik nooit meer terugzien. Ik realiseerde mij dat het leven inderdaad geen sprookje was.

Opeens ging de deur open en hoorde ik op de gang wat gestommel, waarna de deur weer sloot. Ik rook eten! Langzaam sloop ik naar de gang, waar eten in een soort kooi stond. Ik kon niet meer helder nadenken en rende naar het eten. En toen… PATS, vielen de tralies om mij heen hard dicht, ik zat opgesloten!

Bedroefd en met minder trek keek ik om me heen. Uit pure ellende ging ik maar een dutje doen. Even later schrok ik wakker van de deur en hoorde voetstappen naar me toe lopen. Weer twee snuiters met van die vreemde geel/groene jasjes, ze tilden mij op en namen me mee naar een groot ding op wielen. Ik was te moe om tegen te stribbelen. Ik werd onderzocht en kreeg een handdoek om mij heen. Ik had het gelukkig niet meer koud, maar vertrouwde dit rare gebeuren niet. Er kwam beweging in dat bakbeest, bewogen we?! Waar ging ik naar toe? “Help!” Een van de geel/groene jasjes zat naast me en keek me bezorgd aan. De andere draaide aan een groot rondje voorin dat grote bakbeest. Toen ik naar buiten getild werd, zag ik een man in een witte jas. Hij stopte een naald in mij! “Blijf van mij af!” Ik slikte tegenstribbelend een pilletje door.

Weer dat bakbeest in, wat deden deze gekken met mij? Ik wou dat ik mijn familie weer bij mij had! We vertrokken, dit bewegende bakbeest wiegde mij langzaam in slaap. Toen ik wakker werd, lag ik weer in een woning. Verschrikt keek ik op en zag vier ogen naar mij staren. Ik wilde schreeuwen en wegvluchten, maar toen ik beter keek zag ik iets bekends, de lieve ogen van mijn buurvrouw. Ze was al die jaren al onze steun en toeverlaat geweest, vaak kwamen we op bezoek en dan kregen we lekkere hapjes en veel liefde en aandacht. Samen met mijn zusje. Mijn zusje! De twee andere ogen keken mij aan. Zusje! “Zusje!” We renden naar elkaar toe en gaven elkaar de grootste knuffel ooit en ik hoorde op de achtergrond de buurvrouw zeggen: “Jullie zijn thuis!” De twee geel/ groene jasjes wandelden met een glimlach naar de deur. Toen de deur in het slot viel, mompelde ik spinnend tegen mijn zusje: “We zijn thuis en we leven hier nog lang en gelukkig!”

Geschreven en ervaren door Cas Aaftink